Als iemand mij nou maar had opgeraapt en in zijn zak gestopt en daar gelaten had, dat af en toe een hand mij vond, voelde hoe zacht ik was en dan weer losliet. Of op de vensterbank gelegd, op 't nachtkastje, in een rommeldoos. De keukenla! Ik heb nog nooit een reis gemaakt, ik moest zo nodig wortel schieten. Als iemand mij nou maar had opgeraapt, er was niets aan de hand geweest, ik was kastanjebruin geweest, ik had geglansd, geglansd, wat later was ik wat gaan rimpelen, en dan, nou ja, maar nu, nu moet ik onvrijwillig transformeren en niet zo'n beetje ook. En steeds als ik zo ongeveer gewend ben aan mijn nieuwe vorm, steeds als ik zo min of meer geaccepteerd heb dat ik ben zoals ik ben, dan ben ik alweer anders. En als het nu zo was dat ik gekozen had om zo te zijn, dat ik het wilde: steeds een ring erbij, zoveel soortgenoten aan mijn takken in hun veilig stekelhuis, zo anders dan ikzelf, maar wat weet ik het nog goed. Ik heb het opgegeven ...